Verloop

Het verloop van de strafprocedure

Hieronder wordt een beknopt overzicht gegeven van hoe een strafprocedure er doorgaans uitziet. Dit overzicht is bedoeld als een eerste kennismaking. Voor gedetailleerde juridische vragen kan u steeds contact opnemen met advocaat Gunter Fransis.

1. Het misdrijf

Elke strafprocedure begint uiteraard met een overtreding van de strafwet (het misdrijf). Naargelang de zwaarte van het misdrijf onderscheidt men overtredingen, wanbedrijven en misdaden. Overtredingen zijn de “lichtste” categorie van misdrijven (bijv. verkeersovertredingen zoals te hoge snelheid of door het rode licht rijden). De Politierechtbank is bevoegd om de mensen te bestraffen die een overtreding hebben begaan.

De tweede categorie van misdrijven zijn de wanbedrijven, die uiteraard zwaarder bestraft worden dan de overtredingen ( bijv. slagen en verwondingen, diefstal, handel in drugs). De Correctionele Rechtbank is bevoegd voor de wanbedrijven.

De derde en zwaarste categorie van misdrijven zijn de misdaden (bijv. moord, doodslag, gijzeling). Het uitgangspunt is dat misdaden worden berecht door het Hof van Assisen.

2. Het onderzoek

Van zodra het misdrijf boven water komt (dit kan bijvoorbeeld gebeuren door de aangifte van het slachtoffer maar ook door een betrapping op heterdaad) zal het gerechtelijk apparaat in werking treden om de aard en de omstandigheden van het misdrijf te onderzoeken én om de dader(s) te identificeren, op te sporen en te vatten. Het is in de fase van het onderzoek dat de gerechtelijke speurders de zoektocht naar de waarheid zullen inzetten.

In het strafrecht heeft men 2 soorten van onderzoeken: het opsporingsonderzoek dat geleid wordt door het openbaar ministerie (ook parket of procureur genoemd) en het gerechtelijk onderzoek dat geleid wordt door de onderzoeksrechter. De meeste misdrijven worden integraal onderzocht via een opsporingsonderzoek. Het is pas wanneer bepaalde ingrijpende onderzoeksmaatregelen noodzakelijk zijn (bijv. het gerechtelijk aanhouden van een verdachte, het bevelen van een telefoontap of een huiszoeking) dat men beroep moet doen op een onderzoeksrechter. In dat geval wordt de overstap gemaakt van een opsporingsonderzoek naar een gerechtelijk onderzoek.

Het werk op het terrein (het verhoren van de verdachte, het nemen van vingerafdrukken of DNA-stalen, het uitvoeren van een huiszoeking) wordt uitgevoerd door de politie op instructie en onder toezicht van het parket dan wel de onderzoeksrechter.

3. De fase voor de rechtbank

Nadat het onderzoek gevoerd is, zal de beklaagde zich dienen te verantwoorden voor de rechtbank. Op de terechtzitting krijgen achtereenvolgens de volgende actoren het woord: de burgerlijke partij en zijn advocaat, het Openbaar ministerie, de beklaagde en zijn advocaat.

Na de pleidooien zal de rechtbank beraadslagen om haar oordeel te vellen m.b.t. de volgende kernvragen:

  • Is de beklaagde schuldig aan de feiten zoals die werden omschreven in de dagvaarding of beschikking tot verwijzing? Met andere woorden: is het misdrijf bewezen?
  • In geval van bevestigend antwoord (het misdrijf is bewezen): de beklaagde zal worden gesanctioneerd. De rechtbank dient zich alsdan te buigen over de vraag of er een straf dient te worden opgelegd (er volgt geen straf indien de rechtbank van oordeel is dat de beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden om een opschorting van veroordeling te verkrijgen) én welke straf er dient te worden opgelegd (gevangenisstraf, geldboete of een alternatieve straf zoals een werkstraf of een uitstel van tenuitvoerlegging met probatie-voorwaarden. Voor de grootte en/of tijdsduur van de opgelegde straf is de rechtbank ertoe gehouden de wettelijk bepaalde minima en maxima te respecteren.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de burgerlijke partij door het misdrijf schade heeft geleden, zal zij de beklaagde veroordelen tot het betalen van schadevergoeding aan de burgerlijke partij.

  • In geval van ontkennend antwoord (het misdrijf is niet bewezen): de beklaagde zal worden vrijgesproken. Ook indien de rechtbank eraan twijfelt of de beklaagde de hem ten laste gelegde feiten gepleegd heeft, zal de vrijspraak volgen. Een van de fundamentele regels van het strafrecht is immers dat twijfel in het voordeel van de beklaagde speelt (“in dubio pro reo”).